Tags

,

Er is zoveel wat ik deze vrouw zou willen vragen, maar alles voelt zo vreemd. Bedeesd blijf ik naar haar kijken. ‘Ik denk dat mijn vader er spijt van heeft, dat hij toen niet…’

‘Spijt…’ Ze gaat met haar duim en wijsvinger langs haar onderlip, zoals papa soms ook doet als hij aan het nadenken is. ‘We staan elke dag op, doen wat van ons verwacht wordt, en gaan dan weer slapen, en dat noemen we leven. We saboteren onszelf zonder het te beseffen, omdat we nadoen wat ons ooit is voorgedaan, en dan denken we dat het zo móet gaan. En ondertussen organiseren we de dingen zo, dat we gaan tijd hebben om stil te staan bij dat wat we ten diepste voelen. We vergeten wat we waard zijn en durven niet te geloven dat we het goeie wel degelijk verdienen. We vinden het makkelijker om te berusten bij ons leed, om onszelf te troosten na de pijn, dan te kiezen voor wat ons echt gelukkig zou maken.’ Ze gaat met haar hand door haar haar. ‘Zie mij u hier eens overdonderen. De wijsheid van een oud wijf, ge zult ook denken.’ Ze lacht gul.

‘Integendeel.’ Ga door, stop niet met praten, denk ik alleen maar.

‘Weet ge, het is, ik heb zoveel gedacht, sinds…’ Ze kijkt in de verte, wrijft met een paar vingers langs de palm van haar hand. ‘We doen altijd maar voort, en dan worden we oud, en dan voelen we het tot in onze gewrichten, dat de dingen eigenlijk niet kloppen, dat er iets anders mogelijk was geweest, als we beter hadden durven weten. Maar dan vinden we dat het te laat is. En straks dromen we heimelijk van eindelijk doodgaan, of van een hemel waar dan alles goed komt, al naargelang. Zo jammer allemaal, zo verschrikkelijk jammer.’ Ze draait met het glas in haar handen, drinkt het helemaal leeg. ‘Hoe oud zijt gij nu?’

‘Vijfendertig.’

‘Mag ik u dat zeggen? Dat ge goed moet leven, en harder moet dromen. Dat ge moet leren kijken naar uzelf, u afvragen waarom ge doet wat ge doet.’ Ze neemt mijn handen in haar handen en glimlacht alsof het met mij misschien nog in orde kan komen. We kijken naar mekaar. ‘Trouwens, praktisch nog even, ik ben er vergeten naar te informeren of er uren zijn waarop ik misschien kan telefoneren.’

‘Na acht uur, halfnegen is hij normaal altijd alleen op de kamer.’

‘Vraag hem anders eerst eens of hij dat fijn zou vinden.’

‘Dat doe ik, ik zal het u laten weten.’

Johanna gaat staan, en dus ik ook. Ik wil eigenlijk niet dat ze al weggaat, ik weet niet waarom ik dat niet wil. Ze omarmt mij, misschien omdat ze dat bij papa niet meer heeft kunnen doen, ze laat weer los, lijkt nog iets te willen gaan zeggen, maar dan draait ze zich om en loopt weg. Ik kijk haar na, zo lang als dat kan.

We hebben dit niet kunnen oefenen, dit samen wachten op de dood. Jammer, want ik heb zelden zo veel verenigde onbeholpenheid gezien, zo veel opgetelde soorten van onvermogen, zo veel mensen die bij mekaar niet gewoon zichzelf kunnen zijn, zelfs niet op dit soort uren van de waarheid. Als ik doodga, dan hoop ik dat er veel volk is, en dat ze drinken en kussen en omarmen en vertellen, en lachen met de domme grappen die ze maken uit onhandigheid, en huilen om het gemis dat er zit aan te komen, om het afscheid dat niet eerlijk is, of uit dronkenschap voor mijn part. Alles is beter dan dit, dan deze koele kamer vol gestolde stilte, dit gecrispeerde niet-weten.

Ik kijk achterom, hij is blijven staan, daar op de kale kasseien. ‘Ik wil u geen kwaad doen, integendeel.’ Ik zeg het veel te zacht, dat kan hij onmogelijk horen, ik weet het wel. Maar ik loop door, draai de hoek om. Aan de overkant van de straat schijnt de zon, zie ik, en ik steek over. De wind waait hard, maar het voelt warm, of warm genoeg. Ik wil graag zien, denk ik, omdat ik dat kan, en leven, voluit en gretig, omdat ik dat toch moet en het dan maar beter goed kan doen. Ik wil blijven stappen, tegen de wind in, langs huizen, bomen, water, wolken, stappen, en blijven stappen, tot aan de verre einders, tot daar waar alle beginnen begint. Ik zie een vader, hij tilt zijn zoontje op, en zet hem op zijn schouders, het ventje houdt zijn oren vast, alsof het teugels waren. Ik wil stoppen met hopen, denk ik, en doen wat moet gebeuren, om het te doen gebeuren. Ik stop mijn handen in mijn zakken, en versnel mijn pas. Ik wil eindelijk worden wie ik ben, niet wie ik altijd dacht dat anderen wilden dat ik was. In de verte zie ik vogels, ze vliegen in een grote zwerm naar waar ze moeten zijn. Ik denk: ik wil niet vergeten, omdat dat toch het enige wapen is dat we hebben tegen dat smerige sterven. Ik kijk naar mijn voeten en hoe ze doen wat ik wil, en ik denk: ik wil mezelf nooit meer ergens achterlaten. Ik wil lopen tot ik niet meer weet waar de straten zijn, en de luchten. Ik stap en ik zie voor mijn ogen al wat was, en dan droom ik al wat nog kan komen, dat is zoveel. Ik zie drie mensen op een stille bank, ze glimlachen misschien, misschien ook niet, dat valt moeilijk zomaar te zeggen. Ik zie een man met een boze baard, een kleine jongen met een rugzak, twee meisjes die verlangend kijken naar iets of iemand verderop, een kat die wegschiet onder de struiken. Ik voel mijn telefoon in mijn jaszak. Ik denk: ik wil begrijpen wat de liefde is, onthouden dat dat alles is, of toch bijna. Ik wil redden wat er te redden valt, mijzelf bijvoorbeeld, ik wil weten wat ik waard ben, kiezen voor wat klopt en goed is, geloven dat dat mag. Ik denk: dat is het, ik wil durven, eindelijk. Ja.

Uit: Kom hier dat ik u kus van Griet Op De Beeck